Lees fragment van de roman

Het Oog, woensdagavond 17 maart
‘Moet dat? Ik dans toch niet?’ De muziek in Het Oog overstemt zijn woorden. Janna trekt aan zijn hand, hij schudt driftig zijn hoofd en probeert zich los te rukken.
Uitgelaten heeft Julius zojuist, staand op de lange leestafel, het overvolle café toegesproken, zijn stem schor van triomf.

‘We hebben gewonnen, mensen. Natuurlijk! is op Minderoog de grootste partij! Niemand kan meer om ons heen!’
Op de barkruk sluit hij zijn ogen, ziet weer hoe ze klappen en joelen, We are the champions zingen en hij, Julius Keper, hun lijsttrekker, naar hen zwaait alsof hij dierbaren begroet na een zware tocht door de jungle, zijn wijs- en middelvinger tot een V gespreid.

Het is waar. De eilanders hebben massáál op hen gestemd. Janna Wind en hij zijn niet alleen in de gemeenteraad gekozen, maar mogen de onderhandelingen over een nieuw gemeentebestuur leiden. Bestuurder worden, stel je voor, baas zijn op je geboortegrond! Mensen omhelzen hem, slaan hem op zijn schouder, het lijkt waarachtig of ze van hem houden.

Janna weet wat er van hem verwacht wordt en trekt hem mee naar de hossende mensen, die hun hoofd achter-over werpen, met kont en heupen draaien en afwisselend de linker- of rechterarm van voor naar achter zwaaien. Kijk ze droogskiën… alsof ze zich met stokken door rulle sneeuw bewegen.

Kom op, meedoen. Als lijsttrekker heeft hij verwachtingen gewekt. De feestavond van de voetbalvereniging en de repetitie van de fanfare bezocht. Wekelijks rond borreltijd getrakteerd in het café waar hij de mensen op het hart drukte dat het voor hun eiland erop of eronder was. Dat begrepen ze. De natuur en het dorpsleven lijden onder het woekerende toerisme. En de ergernis over de onverschilligheid van de nationale regering is groot.

‘Na vandaag is alles anders, Julius, je hebt geen idee! Verleg je grenzen,’ lacht Janna plagerig, en begint langzaam op de muziek te bewegen.

Meer dan oprichters van Natuurlijk! zijn Janna en hij beste vrienden. Elkaars vertrouweling. Nooit iets gehad samen, maar niemand weet meer van hem dan zij. Vanaf de basisschool zijn ze onafscheidelijk, sinds Julius een opstel schreef over het verdrietige leven van een worm, zijn vriend, zoals alle dieren en planten op het eiland.

Een sierlijk roze diertje, dat zich in de aarde omdraait, links, rechts, omhoog en omlaag lucht gevend aan de aarde. Maar nérgens en nóóit weet het zich bij íemand veilig. Onder de grond opgejaagd door mollen. Aan de oppervlakte, als het de kop uit het gras steekt, prooi voor vogels en vleermuizen. Ach, zelfs kevers kunnen hem met gif verlammen en daarna op het dooie gemak leegzuigen. Wie jaagt niet op de worm?

De juf beloonde hem met een negen en op haar aandringen las hij het verhaal voor aan de klas. Bij de passage over de kever maakte Julius een slurpend geluid. De kinderen grinnikten, behalve Janna, die haar tranen niet kon inhouden. Met de belofte een reservaat voor de wormen te maken sloot hij zijn voordracht af. ‘We verjagen de mollen en schrikken de vogels af.’

Alleen Janna riep hard: ‘Ik doe mee!’
‘Belachelijk, wormen gebruik je als aas voor het vissen,’ riep Johannes Boender, de jongen die hem voor professor uitschold, omdat Julius de hoogste cijfers van de klas haalde.

Julius’ vader bromde dat hij niet zomaar een stuk van het weiland kon vrijmaken voor zijn plan, dus maakten ze een wormentuin in de achtertuin van Janna’s huis. Met stokken zetten ze een perkje af, zo diep mogelijk in de grond gestoken om de mollen de weg te versperren. En spanden gaas over het wormen-eiland om aanvallen uit de lucht onmogelijk te maken.

‘Zo kunnen jullie ademhalen,’ zei hij tegen zijn vriendjes. ‘Wanneer de dieren eenmaal door hebben dat het hier veilig is komen ze uit de hele tuin hier naartoe,’ droomde Julius hardop.
‘Door hele kleine gangetjes waar geen mol kan komen,’ knikte Janna, die verzuchtte dat hij het heel goed had bedacht. ‘En daarna komen vast de buurwormen uit de tuinen hiernaast.’ Ze wees naar de schuttingen aan beide zijden van de tuin. ‘Onder de grond zijn geen grenzen.’

Julius staat aan de rand van de dansvloer. Nee, hij verstopt zich niet. Hoe gaat het ook alweer? Hij wacht op het moment om in de maat te springen, dat moment dat niet komt, omdat hij steeds te vroeg of te laat op de cadans van de muziek reageert. Uiteindelijk probeert hij botsend op het ritme Janna’s bewegingen te volgen, doet een schijnbeweging, wiegt zijn knieën, klapt overdreven in zijn handen.

Iedereen kijkt naar hem. ‘Ik ga even een luchtje scheppen.’
Door de menigte baant hij zich een weg naar buiten, laat zich voor Het Oog op een bankje zakken en strekt zijn benen. Flarden muziek en harde stemmen waaien uit het café naar buiten. Zijn wangen gloeien na. De hele dag was spannend, het is nu even klaar. Eerst de stembus met een foto voor De Eilandkoerier. Als een volleerd politicus, verdwaald in een vreemd toneelstuk, liet hij met een glimlach zijn hand met het biljet boven de stembus in het gemeentehuis zweven.

Dan het wachten op de uitslag. De schok, de euforie: van niets naar vier van de negen zetels. De grootste van vier partijen in de gemeenteraad. De eilanders hebben de aloude coalitie van horeca en boerenbedrijf, die jarenlang de dienst uitmaakte, de rug toegekeerd. Moolenijzer van Ons Minderoog, is de grote verliezer, de zittende wethouder die zich als ervaren bestuurder presenteerde en Julius wegzette als naïeve dromer.

Julius zwaait naar twee mensen die de kroeg verlaten, hun duim opsteken en roepen dat hij de groeten aan zijn ouders moet doen. ‘Die zullen wel trots zijn!’ Hij glundert, het is een moment van geluk, waar niets tussen kan komen.

Een jaar later is Julius wethouder en verkeert het eiland in rep en roer, omdat Rijksnatuurbeheer zonder overleg in het duingebied verbodsborden heeft geplaatst.

Op de Duinplaat, die de eilanders als hun vrijplaats beschouwen.

Een unaniem aangenomen motie in de gemeenteraad spoort wethouder Keper aan om het Rijk tot de orde te roepen en zijn spierballen te tonen.

(TEKST GAAT BENEDEN VERDER)

Het goede gesprek, vrijdag 14 mei, een jaar later
‘Wethouder Keper! Goed u te zien.’ Met uitgestoken hand komt De Greef van Rijksnatuurbeheer de kamer binnen. Een man met een smal, gebruind gezicht en zorgvuldig geschoren schedel. Hij glimlacht, maar achter zijn dunne montuur blijven twee lichtblauwe ogen koud. Het donkerblauwe pak en de zachtgroene stropdas communiceren zijn status: een belangrijke man.

Julius heeft een hekel aan zakelijke hartelijkheid. Het herinnert hem aan de aanschaf van zijn tweedehands auto waarbij hij zich met elk woord van de verkoper een grotere onbenul voelde worden. Hij schudt de droge hand van De Greef. Alle lust om het gesprek te voeren is verdwenen.

Greta arriveert en begint tegen de gast over de overtocht, de gestolen tijd om op de boot uit te kunnen waaien terwijl je het eiland langzaam aan de horizon naderbij ziet komen.
‘Goed, De Greef,’ trapt Julius af voordat deze kan antwoorden. ‘Minderoog heeft de samenwerking met Rijksnatuurbeheer altijd heel plezierig gevonden, maar helaas is op het eiland onlangs grote onrust ontstaan, waarvoor ik uw begrip vraag. We hopen dat uw organisatie ons wil helpen.’

Hij vertelt over de plaatsing van de borden, benadrukt dat het niet is overlegd, stipt de woede en onrust aan over de teksten en het uiterlijk en noemt de motie van de raad. Hij voegt toe dat de Duinplaat voor elke inwoner als eigendom voelt.
‘Het is alsof een vreemde in je achtertuin een verbodsbord plaatst, begrijpt u?’
De Greef trekt zijn wenkbrauwen op.
‘Wat maakt de Duinplaat tot gevaarlijk terrein, willen we weten,’ gaat Julius door. ‘En welk participatietraject heeft uw organisatie gevolgd voordat dit werd ingevoerd?’

Altijd goed om een feit als vraag te presenteren, zodat de ander zelf die conclusie kan trekken. Want ze hebben niets gedaan natuurlijk, niemand is geraadpleegd, geen burger, geen ambtenaar en zeker geen bestuurder. Ze hebben hem gewoon in zijn hemd gezet. Hij kijkt De Greef stuurs aan.

De Greef kucht en gaat verzitten. ‘Dat is spijtig, Keper, dat een paar borden deze vragen oproepen. Rijksnatuurbeheer…’
‘Geen vrágen, meneer De Greef,’ komt Greta tussenbeide. ‘De mensen vragen niets. Ze zijn woedend, zoals de wethouder net toelichtte. Ze eisen dat u die dingen weghaalt.’

Julius kijkt haar verbijsterd aan. Ze benadert deze man zoals ze ook hem aanspreekt. En Wind, Rogge en Pligter. En laatst die ambtenaar die verantwoordelijk is voor het onderhoud van de hoofdweg. Haar lichaam is volledig in rust. Op haar gezicht wacht een glimlach.

‘Nee, goed…,’ zegt De Greef weifelend. ‘Gevaarlijk terrein… dat moet een overijverige collega zijn geweest, die meende dat deze tekst bepaald indruk zou maken. Burgers hebben fors stelling genomen, begrijp ik van mevrouw…’
‘Mulder,’ zegt Greta.

De Greef knikt minzaam:‘… daar zitten in mijn ervaring zorgen onder, over zaken die niet zijn gebeurd, maar die men zou kunnen veronderstellen.’
‘Werkelijk? Waar denkt u aan?’ vraagt Julius.
‘Soms maakt het faciliteren van toerisme de aanleg van een weg noodzakelijk. Of noopt een bomenziekte ons tot het rooien van een perceel eiken. Dat roept wel eens verzet op.’

’U gaat ons nu natuurlijk verzekeren dat u dat niet van plan bent op de Duinplaat?’ zegt Julius.
‘Verzekeren… in ons jaarplan staan nu geen voornemens in die richting, als u daar op doelt, maar u moet begrijpen dat ik niet in de toekomst…’

‘Dank u, dan is dat afgehandeld,’ onderbreekt Julius hem. ‘We maken een kort verslag van de afspraken en dat krijgt u uiteraard toegestuurd.’ Hij kijkt naar Greta die aantekeningen maakt.

‘Nu het doel van dit gesprek: wanneer haalt Rijksnatuurbeheer die borden weg? Het is voor mij erg belangrijk dat ik vanmiddag een brief aan de raad kan schrijven dat de zaak is opgelost.’

De Greef begint te lachen, de ogen samengeknepen alsof hij wil zeggen dat hij hen doorheeft en zoveel gespeelde naïviteit wel kan waarderen. ‘Vanmiddag? U bent heel doortastend, maar u moet begrijpen dat ik te maken heb met Beleid. Landelijk Beleid. Van de minister.

Rijksnatuurbeheer heeft in alle natuurgebieden de handhaving aan moeten scherpen na incidenten op diverse plekken in het land. Illegale picknicks, brandjes, het vertrappen van nesten. U kent de koers van het kabinet. Zero tolerance. Mag ik aannemen dat ook de gemeente Minderoog in voorkomende gevallen haar afkeuring uitspreekt over voorvallen en herhaling wil voorkomen? Aan die borden zult u wel wennen.’

‘Ja, ja, de minister. Ik begrijp dat het lastig is voor u,’ zegt Julius. ‘Maar u kunt de bewindspersoon geruststellen hoor, hier gebeuren die dingen niet. Als u die borden alleen maar wilt weghalen, dan redden we ons wel.’

‘Een uitzonderingspositie voor Minderoog? Beseft u wel wat u vraagt? Dan klopt elk dorp bij ons aan. Met alle respect, Rijksnatuurbeheer draagt als eigenaar de verantwoordelijkheid voor de Duinplaat. Bij ongelukken zijn wij aansprakelijk.’ De Greef vouwt zijn armen over elkaar en leunt achterover.

‘Nu begrijpen we elkaar,’ glimlacht Julius. ‘Een uitzondering is inderdaad de bedoeling. Want op Minderoog stookt men geen fikkies en houdt iedereen een oogje in het zeil als de vogels broeden. Toeristen grijpen we zelf in de kraag.’
De Greef kijkt hun aan alsof hij op ’t punt staat te ontploffen.

‘Voor de burgers van Minderoog heeft u uw beleid niet opgeschreven,’ valt Greta hem bij. ’Ze hebben er ook niet om gevraagd. Maar ze eisen nu wel iets van u. Dus… zeggen we vanmiddag dat u weigert mee te werken of…’

De Greef schudt vier keer zijn hoofd en stopt zijn papieren in zijn tas. ‘Ik zal uw opvatting delen met de hoofddirecteur-inspecteur,’ zegt hij kortaf. ‘Hierover is het laatste woord niet gezegd.’

‘Goed gedaan,’ zegt Greta als de deur achter De Greef is gesloten. ‘Die wil niet in de krant komen.’
‘Waarom nam je het gesprek over?’ Julius heeft het gevoel dat hij een grens moet trekken. In zijn huis had Greta de tweede avond na binnenkomst meteen de plek van de tafel en eetkamerstoelen veranderd en ook de grote groene vaas verplaatste ze van de kast naar de grond.

Tevreden had ze naar haar ontwerp gekeken: dit is veel beter, vind je niet? Hij had even wennen gemompeld, want hij wilde niet meteen van iets kleins een punt maken. Onmiddellijk de strijd aangaan, dat is onnozel. Nu moet hij weer aan Nora denken, die aan het eind van hun relatie alleen nog maar riep: Zeg wat, Julius!

‘Wees niet naïef,’ zegt Greta. ‘Ik ken dit soort mannen. Door en door bang om uit te pas te lopen. Die stoïcijnse blik is Hofstedelijk behang. Hij komt niet naar dit gesprek om te luisteren, maar om het ons nog één keer uit te leggen. Om precies te zijn, jóu uit te leggen. Ik ben maar een ondergeschikt vrouwtje.’

Weer die glimlach. Verliest ze nooit haar geduld? Dat in deze vrouw het leven gist, dat weet hij. Maar nooit raakt ze zichzelf kwijt. Als ze op haar buik ligt en op hem wacht…

‘Het enige waar die types gevoelig voor zijn is gedoe en macht,’ vervolgt Greta. ‘De minister beschermen. Daar leven ze van in De Hofstad. Iedereen die daarvan afwijkt disciplineren ze. Keurig hun spoor volgen, wil je dat, Julius?’
‘Nee, natuurlijk niet. En het kan me niet schelen om die man tegen de haren in te strijken. Maar je had me kunnen waarschuwen,’ zegt hij, nog steeds hopend op een deel van het gelijk.

‘Je kent me toch? En ik ken jou. We zijn een goed duo.’ Ze legt haar hand op zijn wang en loopt glimlachend zijn kamer uit.
De assistent kijkt op. ‘Dat was een goed gesprek, zie ik?’
Greta steekt haar duim op.

Ik blijf graag op de hoogte over Minderoog

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.